Beoordeling

Een 12,35 voor m’n brugoefening…. Hoe kan dit??
Anders dan op school, kun je bij het turnen méér dan een 10 scoren voor je oefening.
Het lijkt misschien raar, en daarom leek het me leuk, om jullie eens wat uitleg te geven over het jureren.

Elke 4 jaar, tijdens de Olympische Zomerspelen, worden de nieuwe internationale turnregels gepresenteerd door het FIG.

Deze Federation Internationale de Gymnastique stelt al die regels vast, en tijdens de Olympische Zomerspelen worden die dan voor het eerst gehanteerd. Daarna worden ze bij de nationale Turnbonden neergelegd, die ze vervolgens weer gaan invoeren in het land en de regio’s.

Tot aan 2008 kreeg je max. een 10 op iedere geturnde oefening. Vanaf de Olympische zomerspelen van dat jaar werd het allemaal anders….

Zoals jullie waarschijnlijk wel weten, wordt er bij turnwedstrijden gebruik gemaakt van Voorgeschreven of van Keuze-oefenstof.

Laat ik eerst met de Voorgeschreven oefenstof beginnen:

Zoals het woord al zegt: bij de voorgeschreven oefenstof is voor iedere leeftijdscategorie en moeilijkheidsgraad de oefening vastgesteld.

Als je je voor een wedstrijd opgeeft, wordt je door je trainer ingedeeld naar je geboortejaar én de moeilijkheidsgraad die jij aankunt. Als je bijv. geboren bent in 2008, dan hoor je dit jaar (2015) bij de categorie Instap, maar hoor je bij ‘’bouwjaar’’ 2003, dan hoor je dit jaar bij de categorie Jeugd 1. Daarnaast zijn er per leeftijdscategorie 4 moeilijkheidsgraden van D4 tot en met D1 (D4 is de makkelijkste).

Je uiteindelijke cijfer is opgebouwd uit 2 delen:
de D-score ( met de D van Difficulty = moeilijkheidsgraad, dus WAT heb ik geturnd ) en
de E-score ( met de E van Execution = uitvoering, dus HOE heb ik geturnd )

De max. D-score is voor alle oefeningen nét ietsje anders én van tevoren vastgesteld, maar de max.
E-score gaat altijd uit van max. 10 punten. Bij een D-score van 4.80 zou je dus bij een perfect geturnde oefening max. 14.80 kunnen halen!

Hoe kijkt een jurylid nu naar jouw oefening?
.
Het is natuurlijk heel belangrijk, dat een jurylid iedere turnoefening op dezelfde manier beoordeelt!
Ten eerste moeten we kijken, of je je oefening zo hebt geturnd, zoals die op papier staat:
heb je alle elementen gedaan en ook in de juiste volgorde? Heb je misschien gekozen voor een iets moeilijker of makkelijker element? Dat kan extra of iets minder punten opleveren.
Om dit bij te kunnen houden, tekenen we jouw oefening als het ware na: alle elementen worden uitgebeeld met een symbooltje. De radslag is bijv. een X en een hurksprong is een N, een pirouette is een O. ( Als je goed naar het symbool kijkt, kun je zien, dat het symbool is afgeleid van de beweging)
Hiermee bepalen we je D-score.

Tijdens je oefening noteren we ook HOE je alle onderdelen hebt geturnd: met rechte benen of kromme, mooi gespannen of met allemaal wiebels. Ben je van de balk gevallen, of heeft je trainer je iets voorgezegd, omdat je ’t even niet meer wist? Ben je toch even geholpen bij die altijd lastige koprol op de balk? Al die zaken zijn van invloed op je E-score.

Als we de D-score en de E-score hebben bepaald, dan tellen we die bij elkaar op, en dat is dan jouw cijfer.

De Keuze oefenstof pakken we anders aan:

Voor een jurylid is het beoordelen van een keuze- oefening anders dan bij voorgeschreven oefeningen, want …. je weet van tevoren niet wat de turnster allemaal gaat laten zien.

Zoals het woord al zegt: bij de keuze oefenstof stel je zélf je oefening samen. Daar zijn natuurlijk wel regels voor. Die zijn opgeschreven in de zgn. Supplementen A t/m H (waarbij H de gemakkelijkste is). De leeftijdscategorieën zien er net zo uit als bij Voorgeschreven oefenstof.

Je oefening moet een bepaald aantal elementen bevatten en een oefening moet aan 5 samenstellingseisen voldoen. Ook moet een oefening in elk geval altijd een opsprong en een afsprong hebben (Dat geldt natuurlijk niet voor Sprong J).

De 5 samenstellingseisen leveren elk 0,5 punt op, en elk element levert ook punten op bijv. 0,1.
Als je oefening 7 elementen moet hebben, en je turnt die ook, en je oefening voldoet aan de 5 samenstellingseisen, dan heb je een D-score van 3,2 verdiend.

Bij de Keuze-oefenstof geldt ook een max. E-score van 10 punten, net als bij voorgeschreven.
De min-puntjes die we van de E-score afhalen, zijn hetzelfde als bij de voorgeschreven oefenstof (kromme benen en tenen en zo).

Als je een oefening voortijdig stopt, bijv. als je valt, of helemaal de kluts kwijt bent, dan krijg je wél een cijfer. De jury kijkt dan wat je tot dat moment hebt geturnd en baseert daar het cijfer op.

Als laatste dan nog een speciaal geval: de (ongeldige) sprong:

  • Bij sprong heb je altijd 2 sprongbeurten. Bij sommige wedstrijden telt dan het hoogste cijfer, bij de meeste wedstrijden wordt het gemiddelde cijfer als eindcijfer gegeven;
  • Je mag in 2 sprongbeurten één valse aanloop maken: als je niet goed uitkomt met je aanloop, dan mag je overnieuw, maar ALLEEN als je de springplank en het toestel NIET hebt aangeraakt!
  • Je kunt een sprong nog zo fraai hebben uitgevoerd, maar als je niet op je voeten maar op je achterste landt, moet de jury deze sprong ongeldig verklaren en heb je een 0 … Ook als je een heel andere sprong springt dan je had moeten doen, ( niet herkenbaar noemt de jury dat ) is een 0 het resultaat. Kan iedereen gebeuren, maar ook de jury vindt het helemaal niet leuk als dat gebeurt!

Sportieve groeten!
Alida van der Kamp